| Albert Mol Albert werd in 1917 geboren in het Huis voor gevallen vrouwen in de Vondelstraat te Amsterdam. Nadat moeder Miep er een jaar was gebleven om te bewijzen dat ze een goede moeder was, gingen ze samen bij Cor Weber wonen, een vriendin van haar. Cor lette op Albert terwijl moeder naar haar werk op het postkantoor ging. Later ging Albert 'voor wat mannelijke leiding' naar de kostschool Sint Louis in Amersfoort toe. Volgens eiegn zeggen ontwikkelde hij hier het gevoel voor theater. Zijn moeder had veel belangstelling voor het toneel en steunde Albert waar zij kon.
In Parijs ontmoette Albert zijn eerste liefde, de fotograaf Faan Nijhoff. De relatie zou meer dan vier jaar duren. Via Faan leerde Albert een andere wereld kennen. Hij kwam in aanraking met mensen uit kringen, waar hij alleen nog maar van gedroomd had. Gertrude Stein, schilders, beeldhouwers, schrijvers.
Omdat Albert in de oorlog had doorgwerkt mocht hij bij wijze van straf, opgelegd door de cultuurkamer, een jaar lang niet dansen. Wim Sonneveld die inmiddels een eigen cabaret was begonnen stak hem de helpende hand toe en liet Albert regelmatig meedoen in zijn cabaret. Na een jaar zonder dansen pakte Albert zijn oude beroep weer op en danste bij gezelschappen in binnen- en buitenland. Ook hield hij zich bezig met het maken van choreografieën. In 1958 speelde hij de dirigent in de film Fanfare van Bert Haanstra. Daarna volgden nog de films 'Het wonderlijke leven van Willem Parel' en De zaal M.P.'. Ook had hij een gastrol in de serie 'Ja zuster, nee zuster' waar hij met de 'De boze buurman' het duet 'De jongens van de reisvereniging' zong. Ook bleef hij actief als choreograaf voor bijvoorbeeld het Scapinoballet en ook voor musicals als 'Mensen hee mensen' en 'Irma la Douce' Toen Koos Postema hem in het programma 'Een groot uur U' vroeg, of hij zoals zoveel artiesten homo was, keek hij de cameraman aan en zei in de lens tegen het publiek thuis: 'Als u belooft om het niet verder te vertellen: Ja!' Albert Mol werd hiermee de eerste artiest die er openlijk voor uitkwam dat hij homo was.
Ondertussen had Albert op de Amsterdamse wallen het vertrouwen gewonnen van enkele werkende vrouwen. Hij schreef de verhalen van de vrouwen op met veel humor, melancholie en tragiek. Hij begon de verhalen voor te lezen in kleine kring en door het enthousiasme van het publiek later ook op het toneel. In 1965 verschenen de verhalen in boekvorm onder de titel 'Wat zien ik'. Later volgede het boek 'Haar van boven'. In 1971 werden de boeken door beginnend regisseur Paul Verhoeve verfilmd. Het resulteerde in een vette, succesvolle klucht, waarin Ronny Bierman en Sylvia de Leur de hoofdrollen speelden. Albert Mol speelde zelf ook een korte rol in de film. Evenals zijn dochter Kika, die een vrouw van lichte zeden speelde.De film over de twee werkende dames en de bizarre wensen van hun klanten zorgde in die tijd voor veel ophef.
In de jaren zeventig kreeg Albert grote bekendheid door zijn rol van panellid in Wie van de drie. Hij zou die rol twaalf jaar lang vervullen. Naast het werk voor de televisie bleef hij ook in het theater en als choreograaf actief. Zo had hij zijn eigen theatershow 'De Albert Mol story', waarvoor hij Frans Mulder (Purper) ontdekte, die toen samen met een vriend optrad in een duo, zang met piano. In 1970 verving hij de ziek geworden Johnny Jordaan in De Jantjes. Weer later speelde hij in de film Lieve Jongens naar het boek van Reve. Ook werkte hij nog mee met Purper, waar hij een fraai balletnummer choreografeerde. In 1996 speelde hij nog een oude vrouw in Fout in 45, een docu-drama van Arjan Ederveen. Voor deze rol kreeg Albert, die door Ederveen werkelijk overgehaald moest worden, omdat Albert bang was om te falen, eindelijk veel waardering als acteur.
Naast al zijn werk in de schijnwerpers werkte Albert ook jaren lang als dramatherapeut in instellingen voor verslaafden met wie hij een toneelvoorstelling maakte.
In 1998 trouwde Albert in Zutphen met Guerdon Bill, met wie hij inmiddels al dertig jaar samen was. In 2003 kwam de documentaire 'Malle Appie' op tv, waarin Albert Mol een jaar gevolgd werd. Hierin kwamen zijn integriteit en humor uitstekend naar voren, maar bleef zijn meer serieuze kant zwaar onderbelicht. Ruim een week later overleed zijn echtgenoot Guerdon Bill op 67-jarige leeftijd. Jeroen Krabbé en Paul Haenen bezochten Albert elke week om hem uit zijn depressie te houden. De gesprekken waren zo intiem en en gaven zo'n mooi tijdsbeeld, dat Krabbé op het idee kwam om de gesprekken op te nemen. Haenen besloot om ze zelfs te filmen. Zijn hele leven kwam ter sprake, zelfs zijn eerste seksuele ervaraing met de melkboer. Zij waren ook de zondag voor zijn dood nog bij Mol op bezoek. Midden in het gesprek zei Mol, dat al zijn spullen weg moesten. Hij was er klaar mee. Op 9 maart 2004, overleed Albert Mol in zijn woonplaats Laren te Gelderland. Het nieuws werd namens de familieleden bekend gemaakt door Henk Krol, de hoofdredacteur van de Gay krant, waar Mol een column voor schreef.
De musical Begin 2003 benarden de producenten Ruud de Graaf en Hans Cornelissen Albert Mol met de vraag om een musical te mogen maken van 'Wat zien ik?' Hans Cornelissen en schrijver Frans Mulder gingen persoonlijk bij Albert langs en het werd en gezellig en inspirerend gesprek. Albert gaf onmiddelijk toestemming (Tuurlijk, het zal tijd worden!), maar had één voorwaarde, de musical moest uit de buurt blijven van platte folklore. Dat Frans Mulder, een goede vriend van Albert, een van de schrijvers van het script was was voor Albert een pre. De medeschrijvers waren Allar Blom en Paul van Ewijk die ook de regie op zich nam. Frans Mulder sprak veel met Albert over de ontwikkeling van de musical. Beiden vonden dat het geen volkstoneel moest worden, maar een realistisch verhaal met veel humor. Een verhaal waarin je zag dat er jaren zijn geweest waar er nog vrijheid en hoop was; hoop voor een betere politieke constructie, hoop op vrede en hoop op openheid van seksualiteit. Tot zijn dood in 2004 was Albert Mol betrokken bij de ontwikkeling van de musical. Een van de uitdagingen waar het creatieve tema zich voor gesteld zag was het onttrutten van het verhaal, zonder het tijdsbeeld te veranderen. Het verhaal verplaatsen naar het heden was praktisch niet mogelijk. De modernisering werd dus gezocht in dialogen, omgangsvormen tussen de karakters en het decor. Marjolein Ettema zorgde voor het ontwerp, van het decor. Zij had de taak om een decor te ontwerpen waar de vele locaties in terugkomen, zoals de peeskamer, de bijenkorf, een lunchroom, Café 't Mandje en zelfs een sightseeing tour door Parijs. Hiervoor werkte ze met veel 'cut-outs' en fotoprints. Als homage aan Albert Mol was een fotoprint (in de vorm van een stropdas) van hem verwerkt in het decor voor café 't Mandje.
Om het verhaal in het tijdsbeeld te plaatsen en meer diepgang te geven was naast het verhaal van de twee prostitues Blonde Greet en Nel een tweede verhaallijn toegevoegd. Deze verhaallijn betrof de studenten Lucas en Noortje en de bezetting van het Maagdenhuis. Ook de kostuums van Arno Bremers ademden de sfeer van de jaren 60.
Op 15 augustus 2006 begonnen de repetities. De première was op 11 oktober 2006 in Schouwburg Het Park in Hoorn. |
| Prijzen | |||
| award | jaar | categorie | genomineerd/winnaar |
| John Kraaijkamp Musical Awards | 2007 | vrouwelijk hoofdrol grote musical (Ellen Pieters) | genomineerd |
| John Kraaijkamp Musical Awards | 2007 | vrouwelijke bijrol grote musical (Hilke Bierman) | genomineerd |
| John Kraaijkamp Musical Awards | 2007 | mannelijke bijrol grote musical (Arie Cupe) | genomineerd |
| John Kraaijkamp Musical Awards | 2007 | inhoudelijke prestatie (Frans Mulder / Allard Blom) | genomineerd |
CD | ||||
| Castalbum | ||||
![]() | Originele Nederlandse cast | 1CD | Nederlands | 2006 |