VERHAAL
|
Proloog
Cornelia,de vijftienjarige buitenechtelijke dochter van Rembrandt en Hendrickje Stoffels staat stil bij de dood van haar vader.
(VADER IS DOOD) |
| Eerste Acte
Amsterdam 1631 De beruchte straatrover Adriaen Adriaenszoon is veroordeeld tot de galg en wordt op de dam opgehangen. In het Amsterdam in de gouden eeuw een reden voor een volksfeest. Op dit moment arriveert Rembrandt in Amsterdam. Hij denkt dat zijn roem nu pas echt gaat beginnen. Rembrandt wordt begroet door kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh en vraagt naar de reden van het volksfeest.
(AMSTERDAM)
| |
| Bij de officiële onthulling van het schilderij is ook Hendrick van Uylenburgh aanwezig. Hij heeft zijn nichtje uit Friesland, Saskia van Uylenburgh meegenomen. Rembrandt vraagt haar voor hem te komen poseren.
(DE ANATOMISCHE LES)
|
| Saskia neemt de uitnodiging aan en gaat naar het atelier van Rembrandt. Terwijl ze zich afvraagt wat haar naar de schilder voert beseft ze dat hij diepere gevoelens bij haar los maakt. De romantiek wordt abrupt verstoord door Hendrick van Uylenburgh. Hij vindt Rembrandt geen goede partij voor zijn nichtje die van een voornaam geslacht is.
| |
| Desondanks trouwt het paar in 1634 in Sint Anna Parochie (Friesland). Het feest wil niet echt loskomen. De familie van Saskia vindt Rembrandt een fortuinjager die uit is op de bruidschat van Saskia. Rembrandt is woedend en verlaat met Saskia vroegtijdig zijn eigen bruiloftsfeest.
| |
| Rippert en Linckeard, twee lepe, Amsterdamse kooplieden, hebben een goede klant aan Rembrandt. Hij verzamelt kunstwerken en curiositeiten en kijkt niet op een paar centen meer of minder. Hendrick van Uylenburgh spreekt Rembrandt aan op zijn verkwistende levensstijl en doet namens de Friese familie een officiële aanklacht wegens 'Pronken en pralen '.
|
| In de herberg gaat het er losbandig aan toe. Het bier vloeit rijkelijk. Geertje Dircx is de sacherijnige bediende. Als Rembrandt en Saskia binnenkomen kijkt ze jaloers naar de kostbare uitdossing van Saskia. De ambitieuze Dirkje zou niets liever willen dan de plaats in nemen van Saskia.
(DE LUSTHOF VAN DE HEL)
| |
| Saskia poseert voor Rembrandt als Flora, de godin van de vruchtbaarheid. Ze is zwanger, maar maakt zich zorgen omdat ze al een kind heeft verloren. De poseersessie wordt onderbroken door een voornaam patriciër, die met Rembrandt een afspraak heeft voor een portret. Rembrandt wijst de rijke opdrachtgever de deur.
(FLORA)
|
| Rembrandt wordt door professor Tulp aangesproken op zijn gedrag. Hij is zeer ontstemt dat Rembrandt een rijke opdrachtgever de deur heeft gewezen. Hij zegt Rembrandt dat hij zich zal moeten schikken naar 'de heren van de gracht '. Rembrandt voelt hier niets voor. Hij is geen slaafschilder, maar een dienaar van de kunst.
(DE REGELS VAN DE HEREN VAN DE GRACHT)
| |
| Ondanks zijn weerstand tegen de pronkzieke elite wil deze dolgraag door Rembrandt worden geschilderd. Ze leggen Rembrandt dwingende wensen op om zo voordelig mogelijk te worden geportretteerd. Rembrandt ziet het pronkzieke gedrag enigszins schamper aan.
(ALLES IS IJDELHEID 1) | |
![]() | Als Rembrandt het portret van Anna Wijmer aan het schilderen is komt haar zoon Jan Six langs. Hij is van adelijke komaf en patroon van de kunsten. Jan Six is een groot bewonderaar van Rembrandt en roemt zijn uitzonderlijke talent.
(KUNSTBROEDERS)
Jan Six ziet het portret van Rembrandts moeder. Rembrandt wijst op de bijbel in haar hand en vertelt hoe het heilige schrift hem inspireert. Rembrandt neemt Jan Six mee naar het nachtelijke Amsterdam waar zwervers en bedelaars in de verbeelding van Rembrandt bijbelse figuren worden.
(DE BIJBEL LEEFT)
|
| Saskia voelt zich ondertussen eenzaam nu Rembrandt zo in zijn werk opgaat. Saskia' s overpeinzingen worden onderbroken door de binnenkomst van een uitgelaten Rembrandt met Kapitein Frans Banning Cocq. Hij is de opdrachtgever van het schilderij 'De compagnie van Kapitein Frans Banning Cocq en Luitenant Willem van Ruytenburgh'.
Rembrandt is vol inspiratie en ziet de schutters vol zwierige vaart in
een dynamisch beeld.
(DE OPDRACHT)
Hij is echter blind voor de zorgen van Saskia.Saskia is voor de vierde maal zwanger. Ze smeekt God dat ze na drie verloren kinderen dit kind gezond ter wereld mag brengen.
(DRIE MAAL HEEFT U MIJ VERLATEN)
| |
![]() | Titus wordt geboren en professor Tulp wenst Rembrandt geluk met de geboorte van zijn zoon. Het geluk wordt echter verstoord door de verslechterde gezondheid van Saskia. Rembrandt beseft dat hij door zijn bezeten werk aan het schutterstafereel geen oog heeft gehad voor de zorgen en het verdriet van zijn geliefde Saskia.
(IK ZAG HET DUISTER EN IK ZAG HET LICHT)
(IK BEN TOT ALLES IN STAAT)
Acht maanden na de geboorte overlijdt Saskia op negenentwintigjarige leeftijd. Als eerbetoon krijgt ze de mooiste plaats in het schutterstafereel, 'De nachtwacht '.
(MIJN ZON WERPT HAAR ZWARTSTE SCHADUW) |
![]() |
Tweede Acte
Op de schildersschool van Rembrandt wordt hard gewerkt voor de aspirant-schilders. Ze worden aangenaam verrast door de komst van een jong meisje waarvan ze denken dat zij komt poseren. Geertje Dircx maakt aan deze illusie snel een einde. Het meisje, Hendrickje Stoffels, is de nieuw dienstmeid. Rembrandt is elders in het pand bezig om een portret van Saskia te verfraaien. Titus laat hem daarvoor een paar juwelen zien. Om de juiste lichtval te bepalen wordt Geertje gevraagd de juwelen te dragen. Geertje ziet hierin het begin van een goudomrande toekomst.
(GOUDOMRANDE TOEKOMSTDROMEN)
(WAT IS MIJN LOT)
|
| Professor Tulp spreekt de beschermheer van Rembrandt, Jan Six, aan en uit zijn afkeer over het recente werk van de schilder dat hij bestempelt als zedeloze prenten.
(DE OMMEKEER)
Niet alleen Tulp keert zich af van Rembrandt, ook de velen andere hoge heren die zich in het verleden graag door Rembrandt lieten schilderen keren zich van hem af. Rembrandt laat zich als kunstenaar niet dwingen om volgens de laatste mode te schilderen. Dit heeft echter grote gevolgen. De economische ondergang van Rembrandt zet zich in en hij wordt achtervolgt door schuldeisers.
(ALLES IS IJDELHEID 2)
In zijn wanhoop neemt Rembrandt zijn toevlucht tot Geertje.
(IK VLUCHT IN HAAR LIJF)
|
| Voor Rembrandt is de relatie met Geertje alleen fysiek, Geertje denkt echter dat Rembrandt met haar zal trouwen.
(DE HUWELIJKSBELOFTE)
Als Hendrickje Rembrandt vraagt naar zijn trouwplannen met Geertje krijgt hij het spontaan benauwd. Hij vraagt Hendrickje de luiken open te doen. Als zij dit doet valt een bundel licht op haar gezicht en Rembrandt wordt getroffen door het beeld van het pure, eenvoudige boerenmeisje. Het is alsof de zon weer gaat schijnen in zijn leven.
(MEISJE AAN HET VENSTERRAAM)
| |
| Geertje is woedend over Rembrandts verhouding met Hendrickje. Ze voelt zich gebruikt en afgedankt. Als Geertje een schilderij ontdekt waar Hendrickje liggend op bed is afgebeeld bereikt haar woede een hoogtepunt.
(DE LEUGENS VAN EEN WEDUWNAAR)
Ze wil het schilderij met een mes vernielen maar wordt tegengehouden door Hendrickje. Er volgt een gevecht tussen beide vrouwen en Hendrickje lijkt het onderspit te delven. Rembrandt verschijnt precies op tijd om Hendrickje te redden. Geertje richt haar woede nu op de schilder.
(HET MES IS GESLEPEN)
Ze sleept hem voor de huwelijkskrakeelkamer omdat hij de huwelijksbelofte aan haar niet zou zijn nagekomen.
|
| Rembrandt wordt door de huwelijkskrakeel-kamer veroordeeld tot het betalen van een jaargeld van 200 gulden aan Geertje. Geertje voelt zich zwaar bekocht en reageert hysterisch op de uitspraak.
(HET HUWELIJKSKRAKEELKAMER)
Ze wordt afgevoerd naar het spinhuis waar ze tussen de andere veroordeelde vrouwen dag in dag uit aan het spinnewiel moet werken.
(HET SPINHUIS)
| |
| Hendrickje poseert voor Rembrandt als Bathsheba als schuldeiser Christoffel Thijsz langskomt en Rembrandt dreigt uit zijn woning te zetten. Rembrandt maakt zich zorgen en wordt bijgestaan door Hendrickje die inmiddels zwanger van hem is. Hendrickje wordt echter voor de kerkeraad gedaagd wegens hoererij omdat ze ongehuwd samenwoont met Rembrandt.
(BATHSEBA)
|
| De kerkeraad wordt voorgezeten door professor Tulp die inmiddels burgemeester is van Amsterdam. De diep gelovige Hendrickje krijgt het zwaar te verduren bij de kerkeraad. Rembrandt is getuige van de zedenpreek van Tulp en bijt hem toe dat zijn schriftelijke vermaningen niets met de wetten van God te maken hebben. Hendrickje wordt als straf uitgesloten van de 'Tafel des Heeren '.
(IK BEN ZIJN HOER)
| |
| Jan Six brengt Rembrandt een bezoek. Hij leent Rembrandt duizend gulden. Het is echter een afscheidsgebaar want Jan Six gaat trouwen met Margaretha, de dochter van Rembrandts aartsvijand professor Tulp. Rembrandt schenkt hem het schilderij dat hij van hem heeft gemaakt.
(HANDSCHOEN DER VRIENDSCHAP)
| |
| Ondanks de lening van Jan Six gaat Rembrandt toch failliet. Op 4 december 1657 gaan zijn bezittingen onder de hamer. Titus weet de spiegel die zijn vader gebruikte voor zijn zelfportretten terug te bemachtigen. De kunstcollectie wordt zwaar beneden de prijs verkocht en Rembrandt is diep ontgoocheld.
(HET IS OOGSTTIJD VOOR DE KRAAIEN)
Rembrandt neemt afscheid van de huis in de Breestraaten vertrekt met Hendrickje, hun dochter Cornelia en Titus naar hun nieuwe huis aan de Rozengracht.
(MIJN GEEST HERRIJST UIT DEZE AS)
|
| Hendrickje en Titus hebben een kunsthandel opgericht om op die manier te zorgen dat ze uit handen van de schuldeisers kunnen blijven. Hoewel het geld op is, heeft Rembrandt nog altijd voldoende inspiratie. Hij schildert Hendrickje en zichzelf als vorstenpaar.
| |
| Een bode van het gemeentehuis komt langs en vertelt dat Govert Flinck aan de pest is overleden. Hij vraagt Rembrandt om zijn opdracht over te nemen. Het gaat om een omvangrijk werk voor de grote galerij in het nieuwe Stadhuis. Rembrandt neemt de opdracht aan.
(DE ROZENGRACHT)
| |
| Amsterdam is getroffen door de pest. Hendrickje probeert het dreigende onheil te ontvluchten. Elders ondergaat Rembrandt zijn grootste vernedering als professor Tulp zijn schilderij voor de galerij van het nieuwe stadhuis afkeurt. Een vernederede Rembrandt komt met Titus en Cornelia thuis waar Hendrickje ziek in bed ligt. Ze is getroffen door de perst.
|
| In haar angst voor de naderende dood vraagt de gelovige Hendrickje zich af of ze door haar levenswijze Gods toorn over zich heeft afgeroepen. Rembrandt troost haar en opent een van de luiken. Dit gebaar herinnert hem aan hun eerste tedere momenten.
| |
| Hendrickje sterft en Titus troost zijn bedroefde zusje. Hij zegt dat de doden blijven leven in de liefde voor hun dierbaren. De geesten van Saskia en Hendrickje veschijnen en tonen hun verbondenheid met hun dierbaren. Titus vertelt zijn vader dat ook hij het aardse moet verlaten. Een wanhopige Rembrandt smeekt God om hem te laten sterven in plaats van Titus. Titus maakt zich los van de levenden en voegt zich bij de geesten van Saskia en Hendrickje.
| |
| In de stilte van zijn schilderskamer blikt Rembrandt terug op zijn leven.
(VRIJ) |