|
Nederland eind jaren 50 Na de oorlog was de Nederlandse samenleving verdeeld in vier gescheiden, naast elkaar levende groepen (zuilen): de katholieken, de protestanten, de socialisten en de liberalen. Ieder met hun eigen school, krant, sportverenigingen, politieke partij, omroep e.d. Het was 'not done' je te associeëren met mensen uit de andere zuil. Trouwen met iemand van een andere levensovertuiging was helemaal uit den boze. Mede door de grote invloed van de kerk werd homosexualiteit als een grote zonde beschouwd
In de jaren na de tweede wereld oorlog had Nederland te maken met schaarste van veel artikelen. Ook artikelen voor de eerste levensbehoeften waren lange tijd alleen op de bon verkrijgbaar. Hiermee werd gerpobeerd een goede verdeling van schaarse goederen te realiseren. Veel mensen speelden met de gedachte om een nieuw leven op te bouwen in het buitenland. Met name Australië, Zuid-Afrika en Canada waren in die tijd populaire bestemmingen. De emigratie werd gesubsidieerd door de overheid die hierin een bijdrage zag aan het oplossen van de problemen rond woningnood en werkeloosheid. Ongeveer 500.000 Nederlanders zouden in de jaren 50 de grote overstap wagen.
In de jaren 50 werd Nederland onder de invloed van de vier kabinetten van
Willem Drees een verzorgingsstaat. De armen waren niet meer afhankelijk van
steun van kerken en andere welwillenden. Alle burgers waren door de
verzorgingsstaat verzekerd van een minimum inkomen en toegang tot de meest
noodzakelijk voorzieningen. Voor ouderen werd de AOW in het leven geroepen
en begin jaren 60 volgde de Algemene Bijstandswet die in geval van nood
recht gaf op een uitkering. Ook het volgen van vervolgonderwijs, dat tot dan
toe vooral was voorbehouden aan de jongeren uit de 'betere kringen', werd
door de overheid gestimuleerd door het verlagen van college-gelden, het
verstrekken van studiebeurzen en het verhogen van de kinderbijslag voor niet
werkende kinderen. In de jaren 50 begon het communisme aan een internationale opmars. In de westerse wereld werd deze beweging met argusogen bekeken. In 1950 viel het communistische Noord-Korea bij de zuiderburen binnen. De VN, onder leiding van de Verenigde Staten, en China bemoeiden zich met het conflict. Een 3 jaar durende bloederige oorlog met vele doden was het gevolg. In het westen onstond een heksenjacht op alles wat communistisch was. Was de communistische partij kort na de tweede wereldoorlog nog populair in Nederland, in de jaren vijftig zakte de populariteit naar een dieptepunt. Lokaal kon het communisme nog wel op steun rekeningen. Vooral Oost-Groningen kende een grote en trouwe communistisch aanhand.
Ook de industrie floreerde. In de jaren vijftig was nog sprake van een werkweek van zes dagen en de rollen in het gezin waren strikt verdeeld. Vader werkte en genoot op zondag van zijn rustdag, de moeder verzorgde het huishouden vaak met behulp van dochters die zo werden verbereid op hun toekomstige rol als huisvrouw en moeder. Jongens werd opgeleid voor een beroep om als kostwinnaar voor het gezin te kunnen zorgen. Het huishouden onderging door de introductie van elektrische apparatuur ook de nodige veranderingen. Zo deden de wasmachine, centrifuge, strijkijzer en stofzuiger hun intrede.
Ook de auto, wel geen echt nieuw fenomeen, begon in deze periode aan een grote opmars. Het platteland werd door de nieuw aangelegde infrastructuur beter verbonden met de steden. En met de mechanisatie van het boerenbedrijf en de herverkaveling veranderde de aanblik van het platteland.
Onder deze invloed ontstond ook voor het eerst een echte jongeren cultuur. De jongeren voelden zich niet langer uitsluitend geleid en geïnspireerd door volwassenen. De regering, de kerk en de ouders waren niet bij machte om het tij te keren. Het was het einde van een rustig en ordelijk bestaan. Steeds meer waren het andere jongeren die als voorbeelden dienden voor nieuwe rolpatronen. Dat werd vooral zichtbaar in de mode en de muziek. De arbeidersjeugd, werkende jongeren, liepen voorp in deze ontwikkeling. Ze kochten hun eigen kleding (spijkerbroeken en patticoats), konden beschikken over eigen (draagbare) radio's en platenspelers. Ze kochten platen van hun eigen helden zoals Elvis Presley, Bill Haley, Chuck Berry, Pat Boone, of Buddy Holly. Ook in Nederland veranderde de muziekscene, met de opkomst van Peter Koelewijn, The Blue Diamonds en René and the Alligators. Tijdschriften als de Muziekexpress en Tuney Tunes met informatie over deze jongerenhelden, hun muziek en hun levensstijl vonden gretig aftrek bij de doelgroep.
De musical In februari 2008 ontstond in een brainstorms sessie met Joop van den Ende, Andre Breedland en Paul Eenens het idee voor een nieuwe musical. De belangrijkste elementen werden in dat gesprek al bepaald:
In zijn enthousiasme stelde André Breedland voor niet te werken mat een boek als basis, maar een volledig nieuw verhaal te verzinnen.In de zomer van dat jaar worden de eerste verhaallijnen en scenelijsten uitgewerkt. Bij het schrijven van het script werkte André Breedland nauw samen met Maurice Wijnen. Iedere twee weken spraken ze met elkaar af om de met elkaar te brainstormen. In het begin van het schrijfproces werd nog geen rekening gehouden met praktische beperkingen. Pas in een later stadium gingen zaken als (snel)verkledingen en decorwisselingen een rol spelen.
Diverse readings volgden waarbij de verhaallijnen nog vele wijzigingen ondergingen en verder werden uitgediept. Op basis van het script en de liedteksten begon Henny Vrienten begin 2009 met het componeren van de muziek. Hiervoor verdiepte Henny Vrienten zich in de muziek van de jaren 50. Hij wilde de jaren 50 sfeer in de muziek laten doorklinken. Henny Vrienten maakte van de door hem gecomponeerde muziek demo's, maar zette geen noot op papier. Door wijzgingen in het script hebben sommige nummers de musical nooit gehaald, of moesten worden aangepast. Nadat de demo's klaar waren kon Jeroen Sleyfer aan de slag met de arrangementen. Hij maakte op basis van de demo's de eerste ruwe partituur door ze noot voor noot uit te schrijven, vervolgens zette Jeroen Sleyfer de demo's om naar de toonsoorten die bij de verschillende acteurs pasten.
Ongeveer januari 2010 begonnen Carla Janssen Höffelt en en Misjel Vermeiren met het decorontwerp. Gekozen was voor een Nederlands ontwerpteam omdat deze het best bekend waren met de mogelijkheden en onmogelijkheden van de diverse Nederlandse theaters waar de musical te zien zou zijn. Voorafgaand aan het ontwerpproces hadden ze al uitgebreid overlegd met regisseur Paul Eenens. Daarna volgden vele brainstormsessies tot een uiteindelijk een defintief ontwerp werd ontwikkeld. In dezelfde periode werd ook gestart met het ontwerpen van de kostuums en het lichtontwerp
In het voorjaar van 2010 werd gedurende een periode van twee weken in het M-Lab in Amsterdam aan de voorstelling gewerkt met zowel het creatieve team als de cast. Met alle informatie en ervaringen die in deze periode werd opgedaan werd de productie verder aangepast en uitgewerkt. Omdat de musical zich voor een deel in het Groningse Winschoten afspeelt, moest een deel van cast gronings leren spreken, om op het toneel geloofwaardig over te komen.
Voor de promotie van de musical werd in het voorjaar van 2010 een minifilm opgenomen. Hiervoor werd op twaalf locaties in Amsterdam gedraaid. De minifilm werd geregisseerd door Joram Lursen. In de film werd de sfeer van de musical neergezet en een tipje van de sluier opgelicht over het verhaal. De film ging op het Musical Award Gala 2010 in première.
Het oorspronkelijke plan was dat de show vanaf eind 2009 als een 'open eind productie' vast in het Beatrixtheater zou komen te staan. Vanweg de zwangerschap van Chantal Janzen, de economische crisis en om meer tijd te hebben voor het creatieve proces werd besloten dat de show een jaar zou worden uitgesteld en dat het een Nationale tourproductie zou worden voor de grotere theaters in Nederland.
Het tijdsbeeld van de jaren 50 was terug te vinden in kleine dingen als het popblad de Tuney Tunes, de ochtendgymnastiek met Ab Goubitz, een jonge Mies Bouwman en de showbizzjournalist van Henk van der Meyden en de intrede van huishoudelijke apparatuur zoals de stofzuiger. Niet altijd werd tot in de details rekening gehouden met het tijdsbeeld. De kleding die Pattie door de vrienden van Rogier krijgt aangemeten hoort meer thuis in de jaren 60 en ook het woordje 'hip', waar een heel lied omheen werd gebouwd, hoort in dat decenium thuis.
Daarnaast waren in deze musical ook (al dan niet bedoelde) verwijzingen te vinden naar ander musicals, zoals My Fair Lady (met 'In Zuidlaren zijn de scharen altijd goed' over het leren accentloos te praten) en Foxtrot (met 'Grote mannen, grote namen' over homosexualiteit). |
| Prijzen | |||
| Award | Jaar | Categorie | Genomineerd/Winnaar |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | musical | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Regie (Paul Eenens) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Decor (Carla Janssen / Höfelt & Misjel Vermeiren) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Lichtontwerp (Uri Rapaport) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Script (André Breedland) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Liedteksten (André Breedland) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Muziek/arrangementen (Henny Vrienten) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Vrouwelijke hoofdrol in een grote musical (Chantal Janzen) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Mannelijke hoofdrol in een grote musical (Freek Bartels) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Vrouwelijke bijrol in een grote musical (Marjolein Touw) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Mannelijke bijrol in een grote musical (Hajo Bruins) | genomineerd |
| John Kraaykamp Musical Award | 2011 | Mannelijke bijrol in een grote musical (Roon Staal) | genomineerd |