ACHTERGRONDEN
Vlaanderen eind negentiende eeuw

Midden negentiende eeuw was in het nog jonge Belgie, net als in veel andere Europese landen, sprake van een stagnerende economie. In 1847 resulteerde dit in een economische crisis. De Belgische burgerij weet zich staande te houden door het op een verschrikkelijke manier uitbuiten van het arbeiderspotentiaal. Ze werden hierin gesteund door de politiek (liberalisme) en de geestelijkheid (katholieke kerk).

 

In de tweede helft van de nam de industrialisering in Belgie een grote vlucht. De linnennijverheid die op het Vlaamse platteland voor extra inkomen zorgde werd verdrongen door de industrialesering van de textielxector. Daarnaast veroorzaakten de mislukte oogsten in 1845-1847 en 1853-1855 met name in Vlaanderen hongersnood en dreef de mensen van het platteland naar de steden om werk te zoeken. Omdat een inkomen onvoldoende was om een gezin te onderhouden moesten ook de vrouwen en kinderen werken. Officieel mochten kinderen vanaf 11 jaar voltijds werken. In werkelijkheid werden kinderen al vanaf veel jongere leeftijd ingezet. Gevolg was de van onderwijs nauwelijks sprake meer was en een viceuze cirkel ontstond. De helft van de bevolking was door het gebrek aan onderwijs analfabeet. Door de grote toestroom van het platteland was het aanbod van arbeidskrachten groter dan de vraag. Daarnaast was in die periode nog geen sprake van arbeidsbeschreming, een sociaal vangnet zoals pensioenen en verzekeringen. Hierdoor kon een situatie ontstaan waarbij mensen werden gedwongen steeds harder en langer te werken. Werkdagen van 14 tot 16 uur waren eerder regele dan uitzondering waarbij vrouwen en kinderen niet werden gespaard. Voor zeer lage lonen moesten zij werken in veelal onveilige omstanigheden. Vooral de textielsector maakte veel gebruik van vrouwen en kinderen die nog goedkopere arbeidskrachten waren dan mannen. Wie dood ging of ziek was werd zonder pardon vervangen. Zelfs een compleet gezinsinkomen was veelal onvoldoende voor de primaire levensbehoeften. Vlees was te duur en werd vervangen door brood en aardappelpap. Een gezin (op dat moment met gemiddeld vier kinderen) leefde in één ruimte en deelde de sanitaire voorzieningen met de overige gezinnen in de wooneenheid. De wooneenheden waren veelal door de fabriekseigenaren gebouwd. Electriciteit, waterleiding en riolering waren veelal niet aanwezig met veel ziekten en hoge sterftecijfers als gevolg. Zoals vaak in uitzichtloze situaties was drankmisbruik en alcoholisme ook een groot probleem met verwaarlozing en huiselijk geweld tot gevolg

 

Vanuit de politiek hoefde de arbeiders geen verbetering te verwachten. Het liberalisme was tot 1884 de voornaamste politieke stroming. Het liberalisme stelt dat de ondernemer gericht moet zijn op de vooruitgang en kapitalistische ontplooiing en daarbij niet gehinderd mag worden. De economische vooruitgang voor de ondernemers was heilig. Omdat de liberale stroming zich steeds meer ging afzetten tegen het katholicisme werd in 1884 de Katholieke partij opgericht. Charles Woeste werd partijvoorzitter en wist de verkiezingen van 1884 te winnen. Voor de arbeider maakte dit niet veel uit. Net als voor de liberalen was de econimische vooruitgang heilig. Het prinicipe van inidividuele vrijheid dat door zowel het liberalisme als de katholieken werd aangehangen was alleen voor de rijke burgers van waarde. Voor arbeiders was  door de toenemende uitbuiting geen ruimte voor het maken van individuele keuzes. Dit werd door de katholieke kerk wel erkend, maar weggewoven. De kerk stelde zich op het standpunt dat de maatschappelijke orde op aarde door hoger hand was bepaald. De arbeider diende zijn lot te aanvaarden. Voor de liberalen betekende de individuele vrijheid dat arbeiders deugdzaamheid, berusting, nederigheid, orde, stiptheid, ijver, eerbied voor eigendom en - vooral - spaarzaamheid moesten leren.

 

Door de toenemende uitbuiting en het toenemend analfabetisme bleef het verzet tegen de burgerij lang uit. Dit ondanks het feit dat al vanaf 1848 een arbeidersbeweging op gang kwam. Er ontstonden vakverenigingen en cooperaties. In juli 1865 werd een belgische afdeling gevormd van de 1e internationale (internationaal verbond van socialisten) die een jaar daarvoor was opgericht. Ook toen bleef de nadruk liggen op het oprichten van coöperaties van producenten en verbruikers. Pas na de neergelsagen opstanden van mijnwerkers in 1968 en 1869  gaat de belgische afdeling zich richten op arbeiders. Er werd actief contact gezocht met arbeiders door het organiseren van bijeenkomsten en in 1870 hebben 70.000 arbeiders zich bij de beweging aangesloten. 1885 zou een belangrijk jaar worden. In Borinage brak een staking uit waarbij de arbeiders en werkelozen samen ten strijde trokken. De partij deelt brood uit de bakkerijen van de cooperaties uit aan werkelozen en arbeiders. Hiermee weten ze veel goodwill te genereren. Het is tevens de aanleiding voor de verschillende arbeidersvereniging zich te verenigen in de Begische Werklieden Partij (BWP). De partij zette zich in voor algemeen stemrecht, verplicht en gratis neutraal onderwijs, afschaffing van kinderarbeid onder de 12 jaar, een stelsel van sociale zekerheid, nationalisaties. In 1893 werd door de BWP opgeroepen tot een algemene staking met het enorme aantal van 250.000 stakende arbeiders tot gevolg. Bij conforntaties met de ordetroepen van de overheid vielne vele doden. De BWP-leiding stemde al snel in met een compromis dat bestond uit de invoering van algemeen meervoudig stemrecht: er kwam algemeen stemrecht, maar wie veel verdiende, kreeg meer stemmen. Gelijktijdig werd de kiesplicht ingevoerd.

 

Voor veel gelovigen was de drempel echter te hoog om op de goddeloze socialisten te stemmen, maar ze wilden wel aandacht voor hun positie. Dit opende de mogelijkheden voor de opkomst van een christen democratische beweging. Deze beweging voelde zich gesteund door de encycliek Rerum Novarum uit 1891 waarin de paus de uitgangspunten had geschetst voor een sociale katholieke beweging. De regerende Katholieke partij voelde de druk van de socialisten en de liberalen toenemen en wilde ondanks alles de eenheid bewaren. Desondanks ontstonden binnen de Katholieke partij drie stromingen:

  • de conservatieven die tegen elke verandering waren;
  • de sociaal katholieken die een geleidelijke verandering van de sociale structuren voorstonden waarbij de eenheid van de partij gewaarborgd bleef;
  • de christendemocraten die een onmiddellijke sociale hervorming wilden, desnoods door zich af te zetten tegen de katholieke partij.

In veel arrondissementen wisten de sociaal katholieken met enige moeite enkele sociale punten op het verkiezingsprogramma te krijgen en om mensen uit de lagere klasse op de verkiezingslijst te plaatsen. Ze hoopten zo de nieuwe kiesgerechtigden aan zich te binden. In het kiesdistrict Ninove-Aals van partijvoorzitter Charles Woeste gebeurde dit echter niet. Woeste behoorde tot de conservatieven en weigerde elke verandering. Dit tot ongenoegen van een groep mannen die zich de Roelanders noemden. Zij verenigden zich in de Christene Volkspartij. Onder hen Pieter en Adolf Daens. Zij wilden de katholieke partij van binnenuit hervormen, maar stuitte op de onverzettelijke Charles Woeste. Hierdoor kwam de Christene Volkspartij op zichzelf te staan, met Adolf Daens als lijsttrekker. De Christene Volkspartij  had een aantal ingrijpende punten op het partijprogramma staan, waaronder:

  • hervorming van het sociale stelsel;
  • hervorming van het belastingstelsel;
  • politieke vernieuwingen;
  • herwaardering van de belangen van de landbouwers;
  • regelingen met betrekking tot de schoolkwestie;
  • duidelijkheid in de Vlaamse kwestie;
  • hervorming van de legerdienst.

Het zwaartepunt van het programma dat door Adolf Daens zelf was opgesteld lag bij de belangen van zowel arbeiders als boeren. Hoewel het programma veel overeenkomsten had met de wensen van de socialisten wilde de Christene Volkspartij niet gelijkgesteld worden met de goddeloze socialisten. Ze wilden een christelijk alternatief bieden.

 

Wat volgde was een heftige campagne tussen priester Daens en Woeste. Bij de verkiezingen in oktober 1894 leek de katholiek partij de winnaar te zijn van de tweestrijd. Wegens onregelmatigheden bij de kies- en telverrichtingen (waarvoor de katholieken verantwoordelijk bleken te zijn), vond op 9 december een bijzondere herstemming plaats. Deze stemming trok de aandacht van heel Belgie. Daens werd uiteindelijk als enige van zijn partij verkozen tot kamerlid voor het arrondissement Aalst. De socialisten wisten 28 zetels te veroveren. Door de grote aandacht voor de bijzondere herstemming en de verkiezing van Daens schiep grote verwachtingen en de partij breidde zich uit.

 

De overwinning van Deans bleef niet zonder gevolgen. Woeste was een machitg man, met een groot netwerk. Hij oefende druk uit op de machthebbers binnen de katholieke kerk. De kerk was op zijn zachtst gezegd 'not amused ' en nam maatregelen tegen hem. Van hogerhand, tot het Vaticaan toe, werd geprobeerd hem het zwijgen op te leggen en zijn geloofwaardigheid te ondermijnen. Hoe meer hij werd tegengewerkt, hoe verbetener zijn strijd werd. Uiteindelijk werd hij door de katholieke kerk uitgesloten. Hierdoor werden gelovigen gedwongen een keus te maken. Van de kansel werd gepreekt dat het steunen van de afvallige Daens een doodzonde was. Daarnaast was sprake van roddel en achterklap en werden valse beschuldigingen geuit aan het adres van Daens. Door de aanhoudende represailles tegen Adolf Daens werd ook Pieter Daens getroffen. Het kopen van, of abonnemeren op een van de bladen of kranten die bij Pieter Daens van de persen rolden kon aanleiding zijn op staande voet te worden ontslagen. Uit angst nog verder weg te zakken in de armoede zegden velen hun abonnementen op. Ook werden zij verstoten uit de sociale kringen waarin zij daarvoor verkeerden.

 

Door de uitsluiting van de Christene Volkspartij uit de katholieke partij was de partij genoodzaakt om voor bepaalde onderwerpen aansluiting te zoeken bij de 'goddeloze ' politieke stromingen zoals de socialisten of liberalen.  Ideologisch wilde Daens, als priester, niets te maken hebben met het wereldbeeld van de socialisten. Maar door de invoering van de 'evenredige vertegenwoordiging', waardoor kleinere partijen ook een verkozene konden hebben als ze samen een lijst opstelden, moest er iets ondernomen worden. De Christene Volkspartij greep vaak nipt naast een zetel, en voor de socialisten gold hetzelfde. Maar een gezamenlijke lijst met socialisten of progressieve liberalen stelde Daens en de veelal katholieke volgers van de partij voor problemen. Dat heeft de partij op een bepaald moment veel stemmen gekost, maar tegelijk kwamen er nieuwe kiezers bij. De samenwerking met de socialisten gaven zijn tegenstanders weer een wapen in handen om hem in de hoek van de socialisten te plaatsen.

 

Ondanks het initiële succes wist de partij door de haatcampagnes tegen de partij en Daens in het bijzonder, en door interne strubbelingen tussen de gematigde daensisten en de radicalen niet uit te groeien tot een grootse volksbeweging. Mede hierdoor wist Daens tijdens zijn actieve politieke carriere weinig concrete zaken te realiseren. Het daensisme is echter van groot belang geweest voor de bewustwording van de gevestigde politiek voor sociale aspecten. Om de weggelopen kiezers terug te winnen namen andere partijen daensistische programmapunten op in hun eigen partijprogramma. De katholieke partij werd gedwongen een progressievere koers te varen. Ook voor de Vlaamse beweging is de daensistische beweging van onschatbare waarde geweest.

 

Adolf Daens
Adolf Daens werd 18 december 1839 geboren. Hij groeide op in Aalst met twee broers en drie zussen. Op 19-jarige leeftijd sloot hij zich aan bij de jezuïeten. Hij gaf les aan  jezuïetencolleges van Antwerpen, Bergen en Turnhout en studeerde zelf filosofie en theologie in Leuven. In 1871 wed hij tegen zijn zin in uit de jezuïetenorde ontslagen. maar werd wel toegelaten tot het grootseminarie van Gent waar hij in 1873 tot priester werd gewijd In de periode 1873-1888 had hij veel verschillende betrekkingen. Hij was retoricaleraar aan het Onze-Lieve-Vrouwcollege van Oudenaarde (1873), onderpastoor in Sint-Niklaas (1876) en Kruishoutem (1878), retoricaleraar aan het Heilige Maagdcollege in Dendermonde (1879 – 1888).  Nergens kon hij echt aarden. Hij werd gewaardeerd om zijn intellectuele gave, maar zijn onstuimige karakter werkten hem tegen. Bisschop Stillemans van Gent wilde Daens in 1888 in dienst laten treden als onderpastoor te Drongen. Daens wilde op zijn leeftijd echter niet opnieuw als onderpatoor beginnen en weigerde de functie. Zijn wens om aalmoezenier te worden in de kazerne werd gedwarsboomd door conservatieve katholieken. Hierdoor werd hij een geestelijke zonder kerkelijk ambt. Hij keerde terug naar zijn geboortestad Aalst en trok in bij zijn jongere broer Pieter.

 

Pieter Daens was drukker, uitgever en dagbladschrijver van zijn eigen bladen Het Land van Aelst en De Werkman. Beide bladen waren zeer populistisch en vertolkten al jaar en dag de mening van 'het gewone volk'. Pieter Daens speelde een rol in het progressievere katholieke milieu, maar bestreed in zijn bladen wel het socialisme dat als goddeloos en een gevaar voor de maatschappij werd gezien. Met de jaren werd zijn engagement steeds sterker en gebruikte hij zijn bladen regelmatig om lokale wantoestanden aan de kaak te stellen.

Nadat Adolf Daens in 1888 bij zijn broer en diens familie was ingetrokken hielp hij hem bij het maken van de bladen. Verder gaf hij prive-lessen en werkte aan geestelijk essays. Net als zijn broer was hij bezorgd over de sociale misstanden waar hij in Aalst mee werd geconfronteerd. De confrontatie met een door de armoede doodgevroren kind was de druppel die de emmer deed overlopen. Samen met zijn broer kwam hij op in hun kranten en pamfletten voor de rechten van de arbeiders. Hierbij beriep hij zich op vooral op de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII (1891 Hij bekritiseerde steeds meer de conservatieve katholieken en nam actief deel aan de publieke acties voor de democratisering van het kiesstelsel in België.

 

Door het steeds grotere sociale engagement in zijn bladen had Pieter Daens de aandacht getrokken van een groep vlaamsgezinde, christelijk geïnspireerde intellectuelen die zich de Roelanders noemden (naar het blad de Kloeke Roeland dat zij uitgaven). Deze groep wilde hun actiegebied uitbreiden en benaderde in 1893 Pieter Daens. Pieter Daens stelde zijn beide kranten in dienst van de beweging en was betrokken bij de oprichting van de Christene Volkspartij op 15 april 1893. Door Pieter werd Adolf Daens ook bij de partij betrokken. Hij schreef het partijprogramma en zette zijn redenaarstalent in voor de nieuwe partij. Adolf Daens werd hierdoor het gezicht van de Christene Volkspartij. Daens wilde de partij integreren in de Katholieke Partij, maar werd hierbij gedwarsbooms door de conservatieve partijleider Charles Woeste. Hierdoor kwam de Christene Volkspartij op eigen benen te staan. Achter de schermen riep bisschop Stillemans hem tot de orde, maar naar buiten toe kwam er van katholieke kant op dat moment nog geen tegenactie. De katholieke kerk vreese de populariteit van Daens en ze hadden nog geen echte redenen om sancties op te kunnen leggen.

 

Bij de verkiezingen van 1894 waar voor eerst ook arbeiders konden stemmen werd hij als enige van zijn partij gekozen als volksvertegenwoordiger van het arrondissement Aalst. Hij was één van de eerste volksvertegenwoordigers die Nederlands sprak in de Kamer. In het parlement klaagde hij de sociale wantoestanden aan en pleitte hij voor politieke en economische hervormingen. Hij bestreed het systeem van de loting en verzette zich tegen de overname van Kongo door België. Hij wilde een gelijke subsidiëring voor gelijke prestaties in het officieel en het vrij onderwijs. In het parlement stond hij echter alleen. De katholieke partij wilde niet met hem samenwerken. Om praktische redenen zocht hij voor de realisering van bepaalde programmapunten samenwerking met de socialisten en liberalen.

 

Daens ondervond een toenemende mate van tegenwerking door de katholieke kerk. In eerste instantie niet eens zozeer vanwege zijn standpunten, maar wel om het feit dat hij door zijn onverzettelijkheid een splitsing veroorzaakte in de katholieke partij. De kerk verbood hem nog langer de mis te lezen in het openbaar en later werd dit zelfs een algeheel verbod. In 1895 werd hij door de paus naar Rome geroepen. Met de encycliek Rerum Novarum in zijn achterhoofd was Daens hoopvol dat de paus zijn strijd zou steunen. Dit was echter een misrekening. Daens werd verschillende keren ondervraagd maar de paus kreeg hij niet te zien. Op het einde van zijn bezoek werd Adolf Daens een brief overhandigd waarin hij gemaand werd de priesterlijke waardigheid hoog te houden, zich niet op te houden met hen die de burgerlijke samenleving willen omver werpen en er voor te zorgen geen verdeeldheid onder de katholieken te veroorzaken. Ondanks de kerkelijke terechtwijzing en de openlijke aanvallen op zijn persoon bleef Daens actief als volksvertegenwoordiger. In 1898 werd hij uiteindelijk geschorst uit zijn kerkelijk ambt. Hij werd in dat jaar niet herkozen als volksvertegenwoordiger. Wel werd hij dat jaar gekozen als voorzitter van de Vlaamsch-Christene Volkspartij. Daarnaast was hij ook erevoorzitter van een christen-democratische steenbakkervakbond in Brussel (1895) en in Boom (1897) en voorzitter van de Brusselse arrondissementsbond (1900). Door de voortdurende aanvallen op zijn persoon werd Daens steeds verbetener is zijn strijd, maar raakte ook verbitterd.

 

In 1902 werd hij weer als volksvertegenwoordiger gekozen, ditmaal voor het arrondissement Brussel. Hij zou tot 1906 deze functie vervullen. Door een lastercampagne tegen zijn figuur werd hij in 1906 niet meer herverkozen als volksvertegenwoordiger. Hij trok zich terug uit het publieke leven.

 

Daens leed al jaren aan een ernstige hartkwaal. De kerk weigerde hem de heilige sacramenten als hij geen vergiffenis zou vragen voor zijn politieke strijd en ongehoorzaamheid. Hij verzoende zich onder druk van bisschop Stillemans, even voor zijn dood, met de kerk, maar werd hierdoor ook uit de partij gezet. Adolf Daens stierf op 14 juni 1907 in Aalst. De Christene Volkspartij zette de strijd voort tot aan de Eerste Wereldoorlog. Daarna versmolt de partij met 'Het Vlaamsche Front'.

 

De gemeenteraad van Aalst kende op 29 juni 2004 het ereburgerschap van Aalst toe aan priester Adolf Daens. In 2005 haalde Daens een vijfde plaats bij de verkiezing van de Grootse Belg.

 

Bovenstaande informatie is voor een groot deel afkomstig van de websites www.daens.org, www.socialisme.be, www.aalst.be.
 

Encycliek Rerum Novarum

De encycliek Rerum Novarum (Over Nieuwe Dingen) van paus Leo XIII verscheen op 15 mei 1891. De encycliek ging in op de situatie van de arbeidersklasse en gaf een aantal uitgangspunten voor de sociale leer van de katholieke kerk:

  • een rechtvaardig loon;
  • het recht op eigendom;
  • solidariteit met de zwakkeren.

In de encycliek werd kritiek geuit op zowel het grenzeloze kapitalisme als het goddeloze socialisme.

 

In de encycliek gaf de paus aan dat wanneer de bestaansmiddelen in de samenleving niet eerlijk zijn verdeeld het publieke belang wordt geschaad door de wrijving tussen arbeiders en bazen. Een herverdelend optreden van staatswege is dan gerechtvaardigd. Ook liet de paus zich positief uit over vakbonden of arbeidersverenigingen. Hij beschouwde ze als natuurlijke gemeenschappen waarbij de staat de arbeiders niet mocht verhinderen ze te vormen of zich erbij aan te sluiten. De paus riep de katholieken op zich in te zetten voor de in de verdrukking geraakte arbeiders. De oprichting van zelfstandige, katholieke arbeidersorganisaties kwam de eerste jaren na het verschijnen van Rerum Novarum dan ook in een stroomversnelling.

De encycliek vormde uiteindelijk de basis voor de vorming van de christendemocratie. Ook Daens baseerde zich bij het uitdragen van zijn standpunten op deze encycliek.

 

Het boek

In 1971 verscheeen het boek: Pieter Daens of hoe in de negentiende eeuw de arbeiders van Aalst vochten tegen armoede en onrecht (1971), geschreven door Louis-Paul Boon. Het is de eerste in een reeks documantaire romans die Boon zou schrijven.

 

Hierin beschreef Boon aan de hand van de min of meer geromantiseerde levensgeschiedenis van de gebroeders Daens de opkomst van het socialisme en de strijd om invoering van het algemeen stemrecht.

 

Het boek is geschreven in de ik-vorm vanuit het perspectief van Pieter Daens. In tegenstelling tot wat de titel doet vermoeden wordt in het boek niet zozeer het Daensisme beschreven, maar eerder het socialisme (Boon zelf was een overtuigd socialist). Hierdoor werd niet het boek niet duidelijk dat Daens op ideologische gronden het socialisme juist afwees. Niet alleen omdat het socialisme tegen godsdienst was, maar ook het verbod op prive-eigendom werd door Daens bestreden.

 

In 1972 werd het boek wordt bekroond met de Driejaarlijkse Staatprijs voor Proza.

 

De film

Het boek van Boon was de basis voor de film van Stijn Coninx uit 1992. Coninx wilde echter geen documantaire maken, maar een sociaal drama, zonder hierbij de waarheid geweld aan te doen. Voor de romantisering werd de strijd van Daens geprojecteerd op de gewone arbeider. Hiervoor werd de verhaallijn van Nette Scholiers en Jan De Meeter in het leven geroepen. Zij stonden model van de katholieke arbeidster en de socialist. Ook verschoof de focus van Pieter Daens naar Adolf Daens.

 

De film draait om vier hoofd personen:

Priester  Daens (Jan Decleir): leider van de Christene Volkspartij, sociaal bewogen en gedreven

Charles Woeste (Gérard Desarthe): leider van de katholiek partij, conservatief  

Nette Scholiers (Antje De Boeck): katholiek arbeidster, jong en impulsief

Jan De Meeter (Michaël Pas): socialistische propagandist

 

Daarnaast waren er bijrollen voor:

Johan Leysen (Schmitt): voorman van de textielfabriek

Idwig Stéphane (Borremans) en Linda Van Dijck (Elisabeth Borremans): eigenaren van de textielfabriek

 

De film vertelt het verhaal van Adolf Daens die tegen het advies van zijn bisschop Stillemans naar Aalst gaat, om een tijdje bij zijn broer en diens familie te verblijven. Adolf wordt daar geconfronteerd met de schrijnende toestand van de arbeiders in de textielindustrie: lage lonen, kinderarbeid, hongersnood, armoede. Het is ook de tijd van de opkomst van het socialisme. De franstalige katholieke elite, eigenaars van de fabrieken, verzetten zich onder leiding van hun volksvertegenwoordiger van de Katholieke Partij, Charles Woeste,  tegen de invoering van het algemeen stemrecht.

In veel gezinnen heerst een schandalige armoede, zo ook bij de familie Scholiers, een gezin met elf kinderen. De oudste dochter, Nette neemt het voortouw in de strijd van de arbeiders voor een rechtvaardiger bestaan. Ze wordt ook verliefd op de socialistische militant Jan De Meeter, ondanks het feit dat haar eigen broer lid is van de Bokken, een knokploeg van de Katholieke Partij.

Wanneer Daens in het blad van zijn broer de wantoestanden in Aalst aan de kaak stelt, jaagt hij de plaatselijke notabelen de stuipen op het lijf. Door zijn acties komt eindelijk een onderzoekscommissie nar Aalst, om de sociale toestanden te onderzoeken. De fabriekseigenaars doen echter al het mogelijke om de zaak in de doofpot te stoppen. De commissie is  Aalst nog niet uit, of er sterft weer een kind, verpletterd tussen de machines van de weverij. De rijkswacht slaat de daarop volgende betoging van de arbeiders brutaal uiteen. Daens verhardt zijn standpunten, en pleit in zijn preken openlijk voor algemeen stemrecht. Hiermee jaagt hij niet alleen de leiding van de Katholieke Partij in het harnas, ook de kerk heeft steeds meer moeite met zijn socialistische opvattingen. Daens heeft daar allemaal lak aan. Hij wordt steeds populair bij de arbeiders, bij wie hij smeekt om ondanks de wantoestanden toch de katholieke kerk niet af te vallen ten voordele van de socialisten. Samen met zijn broer richt hij een nieuwe politieke partij op, en ondanks de massale pogingen tot verkiezingsfraude van Woeste wordt Daens toch verkozen.

Hij raakt echter steeds meer geïsoleerd in zijn strijd: paus Leo XIII laat hem zelfs op vernederende wijze ontbieden op het Vaticaan, om hem vervolgens niet te ontvangen. Uiteindelijk zal Daens moeten kiezen tussen het priesterschap en de strijd voor de arbeiders.

 

Daens was een groot succes, in België en in het buitenland. De film werd in Hollywood genomineerd als een van de beste buitenlandse films van dat jaar. Op het Festival van Venetië, kreeg de film zelfs de Prijs van de Katholieke Filmliga. Dit overigens tot ongenoegen van een monseigneur die vond dat het optreden Vaticaan niet juist zou zijn  weergegeven.
 

Musical

Rond 1998 begon het idee voor een musical rond Daens te ontstaan. Na het zien van de musical Les Miserables kreeg Studio 100 het idee dat het mogelijk moest zijn een vergelijkbare productie ta maken rond een Belgisch thema. Als snel kwamen ze op Daens als thema voor de musical. Het duurde echter tot 2002 tot echt werk gemaakt zou worden om de musical tot stand te brengen. Franck van Laecke werd benaderd om een script te schijven, maar als eerste moesten echter alle dertien copyright-holders (van zowel het boek als de film) worden benaderd voor toestemming. Het duurde tot 2005 tot alles was geregeld.

 

In de tussentijd had Van Laecke de tijd om zich in de materie te verdiepen. Hij las alles wat hij over Daens te pakken kon krijgen. Daarnaast zocht hij naar een creatief team om mee samen te werken. Voor de muziek werd Dirk Brossé aangetrokken met wie hij al voor meerdere producties had samengewerkt. Hun samenwerking begint vanuit de regie. Van Laecke vertelt hoe hij een scène wil aanpakken en Brossé vult dit in met de muziek. Door hun langdurige samenwerking voelen ze elkaar goed aan, maar kunnen ook uiterst kritisch zijn ten opzichte van elkaar. Andere creatieve medewerkers waren Allard Blom (scenografie), Michel Martin (choreografie) en Piet De Koninck (art director).

 

Het filmscript was het startpunt voor het creatieve team. Ze benaderde de regisseur van de film, Stein Coninx. Hij had voor het maken van de film zoveel research gedaan, dat ze graag gebruik maakten van zijn input. Hoewel de musical het verhaal van de film vrij nauwgezet volgde waren er ook aanpassingen. Zo werden de rollen van Pieter Daens en moeder Scholiers in de musical meer belicht dan in de film. Ook is het einde anders dan in de film.

 

Gekozen werd om de musical tweetalig te laten zijn. In de eerste plaats om zo authentiek mogelijk de klassenstrijd tussen de Franstalige bourgeoisie en aristocratie enerzijds en de Vlaamse arbeiders anderzijds weer te geven. Maar het opende ook perspectieven naar het franstalige deel van Belgie. De een simultane vetaling boven het toneel zou de musical voor zowel nederlandstaligen als franstaligen goed te volgen zijn.

 

Voor de acteurs zocht Van Laecke mensen die niet alleen goed konden zingen maar ook op een hoog niveau konden acteren. Aan Lucas van den Eynde de taak om Jan Decleir die de rol van Daens in de film vertolkte te doen vergeten.  Het was voor Van den Eynde geen makkelijke keus. Het was uiteindelijk Stijn Coninx die hem over de streep trok. Jo de Meyere had minder moeite om ja te zeggen toen hij werd gevraagd voor de rol van biscchop Stillemans. Nog zonder het script te hebben gelezen zei hij ja. Hoewel voor de rol van bisschop Stillemans aanvankelijk wel gezongen moest worden, werden tijdens de ontwikkeling van de musical steeds meer zangmomenten geschrapt tot er bijna geen een meer overbleef. Andere rollen waren er voor Anne Mie Gils (Nora Scholliers), Free Souffriau (Nette Scholiers) en Jelle Cleymans (Jan De Meeter). Net voor de start van repetities op 4 augustus 2008, moet Frans Van der Aa (pastoor Ponnet) wegens gezondheidsredenen afhaken. Hij werd vervangen door Chris van den Durpel.

 

Het vinden van een theater bleek niet gemakkelijk. In eerste instantie was sprake van het verbouwen van de Waagnatie in Antwerpen. Bij het het samenstellen van het dossier inzake vergunningen noodzakelijk voor deze grootschalige productie, botste Studio 100 helaas op enkele beperkingen van deze locatie. Door de omvang van de productie was het niet mogelijk gebleken om de nodige stedenbouwkundige en milieuvergunningen te krijgen.

 

Bestaande theates bleken niet voldoende toegerust om de ideeen van Van Laeck en het creatieve team te realiseren. UIteindelijk werd uitgeweken naar het voormalige postsorteercentrum Antwerpen X, een industrieel pand dat bij zou dragen aan de kracht van de voorstelling. Naast het feit dat hier alle techniek inpasbaar was, er voldoende ruimte was voor een modern theater was de locatie door de ligging ook goed bereikbaar voor het publiek. De vroegere inkomhal behoield zijn functie met de balie waar mensen hun tickets konden afhalen. De grote hal boven zou worden verbouwd tot detheaterzaal, met 1.800 plaatsen. Achter het podium werd een grote backstageruimte gemaakt. Vooraan werden een luxe publieksfoyer en een aparte vipruimte gecreeerd.
 

Het tijdelijke theater had niet de gebruikelijk theatertoren waardoor het niet mogelijk was decorstukken vanuit de hoogte naar beneden te laten zakken. Wel was spake van een ongebruikelijk diep (30 meter) en breed (22 meter) toneel. Voor de beweegbare gedeeltes (zoals de weefgetouwen en de loopbruggen) werd gebruik gemaakt van de enorme ruimte aan de zijkanten van het toneel. Om de volle diepte van het toneel te benutten werden transparante projectieschermen gebruikt waarop bepaalde decors geprojecteerd konden. Het driedimensionale effect werd hierdoor vergroot. Door het gebruik van projecties kon moeiteloos worden gewisseld tussen locaties als het station, het kerkhof, de kerk, een rijkelui's huis en de omgeving van Aalst.

Ook was er geen orkestbak aanwezig. Het twaalfkoppige orkest zat nu hoog aan de rechterzijde van het toneel. Via een doorkijkje kon het publiek de dirigent en een deel van het orkest zien sitten.

 

Na ruim zeven weken repeteren begonnen op 24 september 2008 de try-outs. De wereldpremière van Daens, de musical vond plaats op 4 oktober 2008. De recensies van Vlaamse pers was  unaniem lovend. Ook het publiek sloot de musical in de armen. Al voor de première waren 100.000 kaarten verkocht en werden extra voorstellingen geboekt.

 

Award Jaar categorie winnaar/genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 musical winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 regie (Frank van Laecke) winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 vrouwelijke hoofdrol (Free Souffriau) genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 mannelijke hoofdrol (Lucas Van Den Eynde) winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 mannelijke bijrol (Jelle Cleymans) genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 mannelijke bijrol (Jo De Meyere) winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 mannelijke bijrol (David Verbeeck) genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 ensemble winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 inhoudelijke prestatie (Dirk Brossé; muziek) winnaar
Vlaamse Musical Award 2009 inhoudelijke prestatie (Allard Blom & Frank Van Laecke; script) genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 creatieve prestatie (Dirk Decaluwé; muzikale leiding) genomineerd
Vlaamse Musical Award 2009 creatieve prestatie (Piet De Koninck; scenografie) winnaars
Vlaamse Musical Award 2009 creatieve prestatie (Yves Vervloet; decor) genomineerd
Radio 2 Publieksprijs (Vlaanderen) 2009 musical winnaar

 

CD / DVD    
Originele Vlaamse Cast1 CDNederlands2008
Originele Vlaamse CastDVDNederlands2008